Home / Artikelen / Clubkeuze/loopbaanplanning / Kim Lammers: 'Van knokker tot king'
Kim Lammers: 'Van knokker tot king'
17 december 2011

ALICANTE – De ultieme droom? „Mijn leven, zoals het nu is, drie of vier jaar laten stilstaan. Dat zou ik het liefst willen.” Grote grijns. „Maar ja, dat gaat niet, hè? Dus moet ik nu optimaal genieten.” Het leven lacht haar toe. Ze is dit jaar getrouwd, heeft voor koploper Laren alleen in de eerste competitiehelft al 24 keer gescoord en is een vaste waarde voor Oranje. Momenteel maakt ze zich wel zorgen om haar lijf. Tijdens het traject met het Nederlands elftal richting de Champions Trophy van Rosario kreeg ze in een oefeninterland tegen Duitsland een tik op haar enkel, speelde haar hamstring op en maken twee opeenvolgende griepjes haar trainingskamp in het Spaanse Alicante niet optimaal.

 

„Ik denk niet: daar gaan de Spelen. Maar ik word wel onrustig. Al die weken heb ik hard getraind, daar maak ik me zorgen over. Ik moet het mijn hele leven al hebben van hard werken. Dat was op school zo en dat was in alle jeugdselecties het geval. Ik viel altijd af. Maar door te bikkelen en mijn doorzettingsvermogen aan te spreken, kwam ik uiteindelijk waar ik moest komen. Ik ben wel vaker geblesseerd geweest. En veel erger dan nu. Geef me anderhalf tot twee weken om af te zien en ik ben weer op mijn oude niveau.”

 

Knokken voor een gezond, fit lijf doet ze graag. Maar voor het overige heeft ze de strijdbijl begraven. De knop is om. Eerlijk: „Dat gaat met stukjes, hoor. Met vallen en opstaan. Knokken kan ook een levenswijze zijn. Dat je overal maar weer de strijd met jezelf aangaat. Maar dat houd je niet vol. En op je dertigste heb je dat wel door. Je moet op een gegeven moment in balans zijn om het maximale uit jezelf te halen.”

 

De eerste omhelzing met haar grote liefde Sanne maakte wat dat betreft veel duidelijk. Geen toneelstukjes meer.

„Ik had altijd een hekel aan mensen die niet zichzelf zijn. Die vond ik nep. Maar daar deed ik zelf ook aan mee. Ik ben een ster in mezelf wegcijferen en dat kan ik nog steeds doen. Maar ik heb echt geleerd om mezelf serieus te nemen.”

Dus laat de buitenwacht het volgende hokje maar weer creëren. Eerst kon ze alleen maar scoren en was ze te dik, nu valt ze op vrouwen. Het is niet anders. Het is haar leven.

„De buitenwacht is hard. Toen ik tien kilo zwaarder was, werd ik De Hulk genoemd in de media. Dat kwetste. Maar ja, Kim was stoer, dus die kon dat wel hebben.”

 

Achteraf weet ze wel waar ze had moeten ingrijpen. „Ik maakte het mezelf veel te moeilijk. Had ik maar iets meer van mijn tweelingbroer Rogier. Die maakt zich werkelijk nérgens druk om. Ik heb tot mijn 26e met mijn broertje samengewoond. Hij zegt altijd: kind, doe niet moeilijk. Het is bij mij alles of niks. In alles wat ik doe. Daarom had ik ook een ideale sparringpartner aan Rogier. Toen we jong waren, voetbalden we voortdurend samen. Moest ik ook altijd winnen, terwijl het hem om het even was.”

 

Dat streven naar het allerbeste is lange tijd haar valkuil geweest. „Zo wilde ik ook de beste hockeyster zijn. Maar dat ben ik niet. Ik ben een spits met een bijzondere kwaliteit, à la Klaas-Jan Huntelaar. Ik sta altijd op de goede plek. Daar zijn er niet zoveel van op de wereld. Dus kan ik beter de focus leggen op wat ik goed kan. Vroeger dacht ik: ik kan alleen maar scoren. Nu denk ik: scoren kan ik alleen.”

 

Vrede met haar positie in het veld. Vrede met het hebben van een vriendin.

„Daarin hebben we ook een beslissing genomen. In eerste instantie zouden we klein trouwen. Maar we hadden 1 april 2011 als huwelijksdatum, niet wetende dat die dag het homohuwelijk 10 jaar zou bestaan. Puur toeval. De gemeente Amsterdam belde of wij door burgermeester Eberhard van der Laan getrouwd wilden worden in het historisch museum. Wat ben ik blij dat we het zo gedaan hebben. We stonden vol in de schijnwerpers. Al mijn vrienden erbij. Dat maakte het zo’n leuke dag.”

„Het is prettig om te kunnen delen. Een topdag, een rotdag. Sanne heeft ook gehockeyd. Ze kan dingen voor mij plaatsen. Als ik me zo ziek voel, zoals aan het begin van het trainingskamp, remt zij mij af.

Hallo, bel de dokter op, zeg dat het niet gaat. Zo hoort een relatie in mijn ogen ook te zijn, complementair aan elkaar. Dat je elkaar ondersteunt, corrigeert en toch gelijkwaardig bent. Wat een rust geeft dat.”

 

Alleen hebben haar ploeggenoten het nu te verduren.

Stellig: „Ik hoef niet meer door iedereen aardig gevonden te worden. Ik vermijd van nature het conflict, maar ik ga nu meer de confrontatie aan. Zeker in het belang van het team. Na alles wat ik heb meegemaakt, met onder meer mijn knieblessure in 2007 waardoor ik de Spelen van Peking heb gemist, wil ik nog maar één ding: alles winnen.”

 

Er was één moment in het bijzonder waarop die wil om te winnen boven kwam. „Vorig seizoen, na de eerste verloren finalewedstrijd om de landstitel, was ik helemaal klaar met telkens maar verliezen van Den Bosch. In een groepssessie heb ik de leiding genomen en de keer daarna in het veld was ik heel direct naar sommige speelsters. Maar mijn verandering ging te snel. Ik zag geschrokken blikken. Ik moest bij mezelf te rade gaan. Ik ging het hele team niet in twee dagen tijd meekrijgen. Ik heb toen één ding met mezelf afgesproken: vanaf de eerste wedstrijd in het nieuwe seizoen gaan we het zo doen. Ik zal iedereen overtuigen dat wij moeten winnen. Koste wat het kost.”

 

Vroeger was ik bang om bijvoorbeeld de jonkies te kwetsen. Maar als zo’n jonge hockeyster tegenwoordig staat te treuren omdat ze niet heeft gespeeld, word ik pisnijdig. Dan moet je harder trainen en beter je best doen. Alleen als ik achteraf bedenk dat ik het toch wel iets anders had kunnen zeggen, stuur ik een sms. Niks persoonlijks, maar dit moeten we doen om landskampioen te worden.”

 

Er blijft nog één doel over. „Alles moet de komende zeven maanden wijken voor de Olympische Spelen. Of ik daarna moet doorgaan, nu het zo goed gaat? Daar heb ik het met Sanne ook over gehad. Vier jaar geleden besloot ik te stoppen na Peking, niet wetende hoe het verder zou lopen. Ik heb het besluit uitgesteld tot na Londen. Nu weet ik het eigenlijk niet. Ik vind het jammer dat ik nu pas in de betere periode van mijn carrière zit.”

 

„Maar ik moet ook met andere keuzes rekening houden. Stel, we zouden kinderen willen, bijvoorbeeld. Die keuze wil ik niet te lang uitstellen. Ik wil geen oude moeder zijn. Mijn zus heeft twee kinderen. Eén is een kopie van mij. Die is nog geen twee en met alles razendsnel. Als ze een bal ziet, trapt ze hem bijna door de ramen. Dat doet iets met me. Als mijn moeder oppast en ik kom bij haar langs, staat Fien al voor het raam met uitgestrekte armpjes: „ King, King, ’ockeyen! Heerlijk. Ik smelt.”

 

„Het klinkt verwend: stel, ik ga door tot de WK 2014 in Den Haag. Dan moet ik me tevens opladen voor twee Champions Trophy’s en een EK, die tussendoor worden gespeeld. Daar heb ik er al heel veel van meegemaakt. Wil ik dat allemaal nog wel? Twee jaar is lang. Ook al heb ik het nu heerlijk en kan ik me een leven zonder hockey eigenlijk niet voorstellen, dat andere leven lonkt ook.”

 

„Eén ding weet ik wel: ik wil zelf bepalen wanneer ik afscheid neem. Als ik minder goed word, wil ik al gestopt zijn. Je ziet mensen wel eens doorvoetballen of -hockeyen op een niveau, waarbij de magie wordt aangetast. Dat vind ik zonde. Als ik stop bij Oranje, ga ik door in de hoofdklasse. Maar ik zal nooit terugvallen naar de overgangsklasse. Dan ga ik wel schaatsen.”

 

 

facebook twitter